Schaduwschermen met Kafka

1. Ergens op een ochtend in maart van het jaar 2013 pak ik na lange tijd het Verzameld Werk van Franz Kafka weer eens uit de kast. Ik loop ermee naar mijn bureau, leg het op het tafelblad, sluit mijn ogen, laat de wijsvinger van mijn rechterhand blindelings langs de zijkant van het boek gaan en sla het op een willekeurige plek open. Ik open mijn ogen en lees de zin ter hoogte van mijn vinger: ‘Dat schrikte hem dadelijk op, hoewel hij bijna sliep, en hij ijlde weer onder de canapé.’ (Uit: ‘De gedaante­verwisseling’, in: Verzameld Werk, Querido-uitgave 1977, p. 693, vert. Nini Brunt.) Ik verbaas me over de eigenaardige vertaling van het eerste deel van deze zin, sla het boek dicht en kijk uit het raam.

2. In het centrum van Praag is het goed dolen. Wie daarbij, net als ik een paar jaar geleden, niet ver van de historische Burcht in een nauw en veel te druk toeristenstraatje terechtkomt en plaatsneemt achter een tafeltje op de houten vestibule voor een van de enigszins terugwijkende kroegen daar, die kan, als hij op het intrigerende suikerzakje kijkt dat hem bij de Kaffee en de Wiener Torte wordt aangereikt, tot de ontdekking komen dat hij op het buitenterras zit van Café Franz Kafka. De naam van dit etablissement doet onder­ne­mings­technisch heel wat vermoeden, maar degene die er destijds over het ontwerp van het suikerzakje ging, heeft niet echt veel liefde voor de literatuur gehad. Voor op het zakje staat namelijk in clair-obscur de Kafka afgebeeld zoals wij die allemaal kennen of menen te kennen. Achterop is datzelfde portret echter om duistere redenen versmald, zodat je daar in het gezicht kijkt van een jongensachtige Franz die al wel de typische trekken van het latere genie heeft, maar nog in het leven moet verdwalen.

Ik heb er de uitbater van het café niet op aangesproken, maar je zou ook kunnen zeggen dat dit verhaaltechnisch een gouden greep is.

3. Jaren geleden. Ik sta voor zo’n 1-eurobak voor een antiquariaat aan de Utrechtse […]straat en diep er op goed geluk het boekje Zeichnungen und Gemälde Deutscher Dichter uit op ‘Mit 32 Tafeln nach Bildern und Plastiken deutschsprachiger Dichter von Goethe bis Kafka’ (Knorr & Hirth Verlag, München/Ahrbeck 1959). Als ik later in de trein terug naar Amsterdam zit en dit boekje van ene Hans Günther nog eens en nu wat uitgebreider doorblader, tref ik daarin op de allerlaatste pagina onderstaande pentekeningen aan. Ze zijn van de hand van Franz Kafka en blijkens het bijschrift afkomstig uit het manuscript van Der Prozess (ca. 1920). De priegelige tekeningetjes zijn in al hun eenvoud razendknap gemaakt, hebben een hoog Steinberg- annex Grotten van Lascaux-gehalte en het bovenste is misschien nog wel het meest typerend: Kafka op floret in een schijngevecht verwikkeld met zichzelf en/of het leven.

Al mogen de andere vijf er ook zijn: Kafka in de beklaagdenbank, Kafka met opgetrokken knie en in peinzende zelfreflectie op de grond, Kafka met het hoofd op de gekruiste armen wanhopig aan de lege schrijftafel, Kafka die van opzij een blik werpt in de passpiegel van het bestaan, en, ten slotte, Kafka die zo op het oog wat houterig aan het flaneren is. Of moet dat laatste tekeningetje toch de Kafka ‘en garde’ verbeelden, wat in zijn geval misschien wel op hetzelfde neerkwam.

4. Ik verzamel alles wat met sport en kunst te maken heeft. Het boekje met Kafka’s tekeningen komt in de archiefkast onder de noemer ‘Kunst en schermen’. Ik doe het suikerzakje erbij, ik ga straks de link wel zien. Ook vouw ik een A4’tje twee keer dubbel zodat ik, na twee keer scheuren langs de vouwlijn, vier papiertjes van het formaat A6 heb. Op een ervan schrijf ik: ‘Dat schrikte hem dadelijk op, hoewel hij bijna sliep, en hij ijlde weer onder de canapé.’ Ik onderstreep ‘Dat schrikte hem dadelijk op’ en teken op een van de andere drie blaadjes in een opwelling Het Archief van Kafka (1883-1924).

Ik doe de vier papiertjes, ook de twee nog lege, samen met het boekje en het suikerzakje terug in de map, schuif de archiefkast dicht en kijk weer uit het raam. Ik moest maar weer eens aan het werk.

5. Als ik even later het Verzameld Werk van Kafka terugzet in de boekenkast, valt het papieren omslag eruit. Het is in de loop van de tijd verkleurd en rafelig geworden en ik wilde het destijds vast niet wegdoen. Vandaar dat ik het maar in het boek zelf heb opgeborgen. Ja, zo moet het gegaan zijn. Wie wat bewaart, die heeft wat. Zij het in dit geval wel wat verkreukeld.

Als ik me buk om het omslag op te rapen, zie ik tot mijn verbazing dat de tekeningetjes van Kafka erop staan afgebeeld. Wat kleur betreft een beetje verdekt, maar grafisch heel mooi en in harmonie met de rest van het omslag. De schermer staat er ook op. Nooit in die zin opgemerkt, altijd gedacht dat die tekeningetjes van iemand anders waren. Wel zijn het er vijf, zie ik nu, niet zes: een ervan uit het boekje van Günther ontbreekt. Na enig draaien en zoeken vind ik op het omslag de naam van degene die hier wellicht verantwoordelijk voor is: Harry N. Sierman. Bekende naam. Ik ga achter de computer zitten, zoek een en ander op, noteer wat, loop terug naar de archiefkast en trek de la open met het opschrift Kunst en sport. Ik licht de map ‘Kunst en schermen’ eruit, leg hem boven op de archiefkast en noteer op een van de twee nog overgebleven lege papiertjes:

‘Sierman, H.N. (1927-2007). Een van de meest gewaardeerde boekverzorgers van zijn tijd. Motto: “Ik geloof in het boek als een perfect ontwikkelde methode om de menselijke gedachte- en belevingswereld vast te kunnen leggen, en – wat nog mooier is – ook weer beschikbaar te stellen.” S. liet de wanhoop van Kafka achter de schrijftafel weg van het omslag van diens Verzameld Werk. Waarom?’

Ik vouw het papiertje dubbel en stop het samen met het enige nog lege papiertje in het omslag dat mee teruggaat in de map. Even overweeg ik of die schrijftafel misschien niet toch een kroegtafel was. Dan sluit ik de lade en draai me om naar mijn bureau. Inderdaad: ik moest maar weer eens aan het werk.